De Graafschap heeft een jonge ploeg. Dat wordt niet meer gezegd, dat wordt ingebracht. Als verzachtende omstandigheid. Jong is hier geen leeftijd, maar een verklaring vooraf. Alsof we na afloop niet meer mogen mopperen, terwijl dat nu juist onze kerncompetentie is.
Jong betekent in het voetbal: goede bedoelingen, slechte timing en een aandoenlijk geloof in het eigen kunnen. Het is spelen met de handleiding nog in plastic. Je ziet het aan de eerste tien minuten. Veel beweging. Veel geroep. Veel gewijs. Soms zomaar één of twee goals. En natuurlijk gezeur. Vooral van mensen die zelf al buiten adem raken bij het opstaan voor koffie of een biertje.
Daarna krijgt iemand de bal en ontdekt dat hij nu ook iets moet dóén. Dat moment duurt soms de rest van de wedstrijd. Op de tribune ontstaat dan een collectieve spanning. Niet omdat we bang zijn dat het misgaat, maar omdat we bang zijn dat we gelijk krijgen.
Deze jongens kunnen voetballen. Dat is het probleem niet. Ze kunnen het alleen nog niet altijd tegelijk. Denken en doen werken hier in ploegendienst. Het is een elftal dat speelt alsof het net het rijbewijs heeft gehaald: technisch geslaagd, maar iedereen in de auto houdt zich vast. Wij vooral.

En wij zitten daar. Supporters. Een tribune vol mensen die roepen dat ze best geduld hebben, zolang het maar snel beter wordt. We willen ontwikkeling, maar wel graag zichtbaar. Liefst per balcontact. We eisen rust, terwijl we zelf na vijf minuten beginnen te fluiten. Uit gewoonte. Of nervositeit. Of omdat de buurman het ook doet.
Vallen en opstaan hoort erbij, zeggen we dan. Maar alleen zolang het niet in onze zone gebeurt. Bij De Graafschap is dat vallen inmiddels een vast onderdeel van het programma. Soms zo overtuigend dat opstaan meer hoop dan logica lijkt. Dan blijft iemand even liggen en denken wij: zie je wel. Niet uit boosheid, maar uit behoefte aan bevestiging.
Toch blijven we kijken. Omdat deze ploeg niets heeft om zich achter te verschuilen. Geen routine, geen slimmigheidjes, geen ervaren speler die het wel even dichtloopt. Elke wedstrijd is een poging. En elke poging is een spiegel. Voor hen, maar vooral voor ons.
En ergens in dat proces loopt Barry Powel. Technisch manager. De man met de sleutels. Van het stadion, van de scouting en vermoedelijk ook van een hok waar nog drie proefspelers zitten te wachten tot iemand zich hen herinnert. Barry werkt in stilte. Geen grote woorden, geen presentaties. Hij belt. Hij denkt. Hij kijkt naar een speler en zegt: die kan hier wel aarden. In de Achterhoek is dat een compliment met juridische waarde.
Barry’s werk lijkt op puzzelen zonder voorbeeld. Soms past het. Soms blijkt het stukje uit een andere doos. En soms denk je: dit is een randstuk, maar het blijkt een middenvelder die we na drie wedstrijden al hebben opgegeven.
Supporters kijken dan en zeggen: Wie is dit?
Barry zegt niets. Barry knikt. Barry heeft vertrouwen. Of hij denkt: we zien het wel. Dat is ook beleid. Alleen vinden wij het prettig als beleid meteen rendeert.
Zijn transferstrategie lijkt op boodschappen doen zonder lijstje. Soms kom je thuis met precies wat je nodig had. Soms met iets dat nergens bij past maar wel interessant is. En soms vergeet je het belangrijkste, waarna je zegt dat het toch nooit echt goed was.
Het mooie is: deze club probeert iets. Geen paniekvoetbal. Geen huurlingen die na acht wedstrijden weer vertrekken en Doetinchem alleen kennen van het tankstation. Nee, jonge gasten. Ontwikkeling. Opbouw. Een plan. Wij zeggen dat we dat willen, maar bedoelen eigenlijk dat we willen winnen terwijl het gebeurt.
Dat schuurt. Dat botst. Dat kost punten. Dat kost nagels. En het kost ons vooral zelfbeheersing. Maar het levert ook iets op: een elftal dat groeit. Spelers die leren. En supporters die noodgedwongen oefenen in een vergeten vaardigheid: relativeren.
Misschien is dat wel de echte kracht van deze De Graafschap. Dat ze ons dwingen om mee te groeien. Om te accepteren dat voetbal niet altijd een eindproduct is, maar vaak een tussenstand. Met vlekken. Met krassen. En met onszelf er ongunstig op afgebeeld.
En als het weer eens misgaat, kijken we naar Barry. Die ergens in de catacomben staat, sleutelbos in de hand, wenkbrauw iets omhoog, en denkt: rustig maar. Alsof hij wil zeggen dat ook dit erbij hoort.
Misschien heeft hij gelijk.
Misschien ook niet.
Vreemd of niet, het past precies bij onze Graafschap.
Maar voorlopig is dit wat we hebben.
En als we heel eerlijk zijn: wij horen er net zo goed bij.
Goedgaon en tjukes!
Fritz